De epidemie als patiënt

Samuel Hahnemann beschouwde de epidemie als patiënt

Wordt er geen oplossing gevonden voor het probleem van antibioticaresistentie, dan kunnen epidemieën het gevolg zijn. Om te weten wat de homeopathische visie is op de aanpak van epidemieën, duiken we in het werk van Samuel Hahnemann (1755-1843), grondlegger van de homeopathie. Het klinkt gek, maar hij beschouwde als het ware de epidemie als patiënt.

Door Fernand Debats

Hahnemann had een bijzondere kijk op de aanpak van epidemieën. In zijn hoofdwerk De organon der geneeskunst wijdt hij een drietal paragrafen aan de bespreking van acute ziekten. Hij maakt onderscheid tussen enerzijds regelmatig terugkerende epidemieën van bekende ziekten die een vast ziektebeeld geven – ‘door een steeds gelijkblijvende smetstof’ –, zoals mazelen, en anderzijds ziekten die niet zo eenvormig verlopen. Voor een ziekte als mazelen is er een aantal ‘standaardmiddelen’ die eigenlijk bij elk ziektegeval wel aangewezen zijn. Het hoofdmiddel hierbij is Pulsatilla.

Ziektebeeld

Waar het bij het kiezen van een middel in een epidemie om gaat, is het vinden van de zogenaamde ‘genus epidemicus’. Hieronder verstaan we het ziektebeeld van de epidemie. Om dat te bepalen verzamel je symptomen van zo veel mogelijk zieken en deze tel je gewoon bij elkaar op. Uit deze lijst van symptomen kies je de meest bijzondere en kenmerkende en bij deze verzameling – die dus samengesteld is uit symptomen van verschillende patiënten – zoek je dan het passende middel. Nu is de behandeling van de individuele, unieke patiënt het handelsmerk van de homeopathie. Hoe valt dat te rijmen met het vinden van een middel voor een hele groep patiënten in een epidemie? Om dit te begrijpen is een beetje hersengymnastiek nodig. Hahnemann beschouwt als het ware de grote groep mensen die in een epidemie ziek worden als één groot organisme dat behandeld moet worden. Hij verzamelt alle kenmerkende symptomen van al die verschillende mensen en dat beschouwt hij dan als koorts.jpghet ziektebeeld. Hij beschouwt als het ware de epidemie als de patiënt. De logica hiervan is dat elk individu dat in een epidemie ziek wordt, slechts een deel van de symptomen van de epidemische ziekte zal vertonen, namelijk de symptomen die hij met zijn constitutie kan ontwikkelen. We weten immers dat omgevingsfactoren iemand al dan niet ziek maken afhankelijk van zijn constitutie. Wanneer vijftig mensen warmgedanst en bezweet uit een disco naar buiten lopen waar het koud is en regent, zal de een verkouden worden, de ander niet. Er zullen er bij zijn die een blaasontsteking krijgen of spierpijn. Dat wil zeggen: dezelfde omgevingsinvloed zal bij verschillende individuen andere symptomen teweegbrengen. Wanneer we nu de ziekteverwekker in een epidemie als omgevingsfactor zien, verwachten we ook uiteenlopende reacties bij verschillende mensen. Natuurlijk zal ook een aantal symptomen hetzelfde zijn, zoals koorts, maar wat we proberen te vinden zijn individuele varianten bij verschillende patiënten. De een zal bij een griep spierpijn krijgen, de ander een kriebelhoest, een derde zal ontstoken bijholten krijgen enzovoort. De gezamenlijke kenmerkende symptomen vormen de genus epidemicus.

Chronische ziekten en geneesmiddelproeven

Deze gedachtengang – om de symptomen van meerdere mensen bij elkaar op te tellen – vinden we op nog twee andere plaatsen in het werk van Hahnemann terug, namelijk bij de bespreking van de chronische ziekten en bij de opzet van geneesmiddelproeven. In het boek De chronische ziekten beschrijft Hahnemann hoe hij observeerde dat bij verschillende lijders aan syphillis er verschillende symptomen konden optreden. Hij concludeerde dat al die symptomen bij de ziekte hoorden en dat bij verschillende mensen dus slechts een deel van de ziekte zichtbaar wordt. Zo kwam hij op het idee dat er slechts drie grote chronische ziekten zijn die zich elk onder verschillende verschijningsvormen konden voordoen, de Psora, de Sycose en de Syphillis. Verschillende mensen konden dus een ziekte hebben met totaal verschillende symptomen, terwijl het toch om dezelfde ziekte ging. Hij schreef deze verschillen toe aan ‘verschillen in lichamelijke constitutie van de betrokkene, zijn erfelijke aanleg, verschillende fouten bij zijn opvoeding gemaakt, zijn leefwijze en eetgewoonten, zijn bezigheden, zijn geaardheid, zijn zedelijk gedrag enzovoort'.

Dezelfde logica is ook van toepassing op het samenstellen van een geneesmiddelbeeld uit de symptomen van verschillende proefpersonen. Bij een geneesmiddelproef nemen verschillende proefpersonen het te onderzoeken middel en houden een dagboek bij van de veranderingen in hun welzijn en symptomen die ze bemerken. Sommige symptomen zijn bij verschillende proefpersonen hetzelfde, maar andere zijn verschillend bij verschillende provers. Voor het samenstellen van het geneesmiddelbeeld worden alle symptomen van alle provers samengenomen en dan worden de karakteristieke symptomen opgespoord. Tegenwoordig vinden geneesmiddelproeven plaats onder gecontroleerde dubbelblinde condities, zodat de gegevens wetenschappelijk betrouwbaarder zijn.

Hahnemann en de choleraepidemie

In 1831 heerste een choleraepidemie in Europa. Hahnemann publiceerde vier brochures over de behandeling van cholera die hij gratis onder de bevolking liet verspreiden. We moeten ons realiseren dat in die tijd bacteriën nog niet bekend waren. Het idee van kleine levende wezentjes die ziekten veroorzaakten, werd nog zeer in twijfel getrokken. Hahnemann was dit echter al op het spoor gekomen. We lezen in de toelichting bij de behandeling met kamfer: ‘De kamfer bezit vóór alle andere geneesmiddelen de eigenschap dat hij de fijnste dieren van een lagere orde alleen al door zijn uitwaseming spoedig doodt. Daardoor zal hij in staat zijn het choleramiasma (dat waarschijnlijk in een levend wezen bestaat dat voor de mens dodelijk is, dat aan onze zintuigen ontsnapt en zich aan de huid, de haren enzovoorts of aan de kleding van de mensen hecht en zo van mens tot mens onzichtbaar overgaat) het snelst te doden en te vernietigen en daarmee de lijdende van de diertjes en de door hen verwekte ziekte te bevrijden en te herstellen. Met dit doel moet de kamfer in volle omvang worden toegepast.’1 We zien dat Hahnemann hier in feite een soort antibiotische therapie propageert. Hij gebruikte kamfer in pure vorm, dus niet gepotentieerd. Tegenstanders verweten hem dan ook dat hij de hand lichtte met zijn eigen similia-principe. Hahnemann diende hen van repliek met de mededeling dat het hem er toch voornamelijk om te doen was zieken te genezen. In het vervolg van de behandeling van de cholerapatiënten gebruikte hij overigens wel gepotentieerde middelen, met name Cuprum en Veratrum album.

De overlevering zegt dat van de patiënten die volgens de toenmalige officiële geneeskunde behandeld werden 50 procent overleed, en van hen die zich homeopathisch lieten behandelen slechts 3 procent. We kunnen niet nagaan of deze gegevens statistisch juist zijn verzameld. Wat we wel weten is dat de behandeling van deze epidemie in Duitsland en ver daarbuiten opzien baarde en voor de zoveelste keer de homeopathie in de vuurlinie plaatste. Door de tegenstanders van de homeopathie werd op hoog niveau gelobbied; publicatie van geschriften over de behandeling van cholera werden verboden.

Homeoprofylaxe

Wanneer in een epidemie het middel gevonden is dat de genus epidemicus vertegenwoordigt, kan dat middel ook gebruikt worden als profylaxe (ter preventie). In de huidige tijd wordt daarbij ook gebruik gemaakt van isopathie. Hieronder verstaan we het toepassen van gepotentiëerde ziekteverwekkers. Zo wordt ter bescherming tegen griep het middel Influenzinum aanbevolen, een middel dat bestaat uit gepotentiëerd griepvirus. Dit principe is grootschalig toegepast in Cuba ter voorkoming van de epidemie van de ziekte van Weil die daar jaarlijks optreedt, wanneer er orkanen en overstromingen voorkomen. De resultaten hiervan werden gepresenteerd tijdens een congres over homeoprofylaxe in Cuba in 2008. Het Finlay instituut in Havana, dat zich bezighoudt met de ontwikkeling en productie van vaccins, bereidde een C200-potentie van vier stammen van de spirocheet Leptospirose, de verwekker van de ziekte van Weil. Een multidisciplinair team reisde naar de bedreigde drie provincies en ongeveer 2,4 miljoen mensen kregen twee doses van het middel toegediend. Epidemiologische analyse toonde een dramatische afname van het aantal ziektegevallen in de twee weken die volgden op deze actie en het aantal doden bij de in ziekenhuizen opgenomen patiënten daalde naar nul. Het aantal gevallen van de ziekte van Weil bleef onder het verwachte niveau. Dit resultaat was beter dan te verwachten zou zijn geweest met een behandeling met reguliere vaccins. Deze resultaten werden uiteraard vanuit het reguliere kamp aangevochten.

Moderne epidemieën

Moderne epidemieën, zoals hart- en vaatziekten en diabetes, zijn van een heel andere aard. Ze worden weliswaar epidemieën genoemd, omdat er zoveel mensen tegelijkertijd aan deze ziekten lijden, maar het zijn natuurlijk geen besmettelijke ziekten. Het zijn ziekten die ontstaan door onze moderne westerse levenswijze en culturele en voedingsgewoonten. De behandeling en voorkoming ervan moeten dan ook berusten op voorlichting over een gezonde levensstijl en voedingsinterventie.

Uit Homeopathie Magazine HM, februari 2015

1. Geciteerd uit Herbert Fritsches biografie in de vertaling van Elke Bussler: Samuel Hahnemann: Idee en werkelijkheid van de homeopathie.